Berten Rodenbach had ne vogel in zijn hand. Albrecht Rodenbach & het studentenlied

nevogelinzijnhand
standbeeld Rodenbach in Roeselare

Wie vanuit studenthistorisch of studentikoos-historisch oogpunt Albrecht Rodenbach bestudeert, kan naar hartelust grasduinen in een uitgebreide bibliografie die hem en zijn generatiegenoten vanuit verschillende invalshoeken belicht en toelicht. Wie zich op een specifiek aspect als het studentenlied toespitst, blijft helaas een beetje op zijn honger zitten. In de tien jaren dat ik me ondertussen bezig houdt met het studentenlied is het me opgevallen dat er – wellicht met reden, wie zal het zeggen – bijzonder weinig aandacht besteed werd en wordt aan de studentenliederen van Rodenbach. Een uitzondering vormt het drieluik “Gesciedenisse van den West-Vlaemschen studentenkampt ofte vulgo ‘Blauvoeterie'” dat bestaat uit “Het lied der Vlaamse zonen”, “Het lied der Vlaamse Zonen, gezeid De Blauwvoet” en “Het lied der Blauwvoeterie”. De reden waarom dit drieluik wel de nodige aandacht kreeg, is voor de hand liggend: het is onlosmakelijk verbonden met ‘De Groote Stooringe’ en de Vlaamse Studentenbeweging die daardoor in een stroomversnelling kwam.

En hoewel Rodenbachs andere studentenliederen wellicht van minder historisch belang zijn, leek het mij toch interessant om er enige aandacht te schenken en al een eerste, bescheiden stapje in de richting van een uitgebreider onderzoek van dit specifieke onderwerp te zetten. Al was het maar omdat Rodenbach, behalve de initiële drijfveer achter de Vlaamse Studentenbeweging, in mijn ogen ook de initiator van de opkomst en versnelde groei van de Vlaamse studentenliedschat was.

Ik ga in deze tekst kort in op volgende onderwerpen:

  1. Een korte, historische schets van het studentenlied
  2. Definiëring van het begrip ‘studentenlied’
  3. De studentenliederen van Albrecht Rodenbach
  4. Rodenbach als de zanger van de studentenkamp
  5. Rodenbach & studentenliedboeken

KORTE HISTORISCHE SCHETS

Op 4 maart 2004 vond in Leuven het colloquium “Welke toekomst voor de traditionele studentikoziteit in de eenentwintigste eeuw?” plaats. Ik sprak er over “De traditionele studentenclub als behoeder van de studentenliedschat” en kaderde de Vlaamse studentenliederen van Rodenbach en zijn generatiegenoten als volgt:

archipoeta
Archipoeta

Wanneer Albrecht Rodenbach en zijn studiemakkers in de tweede helft van de negentiende eeuw, aan de wieg van de Vlaamse Studentenbeweging, hun eerste studentenliederen aan het papier toevertrouwden, deden zij dat in een traditie die eeuwen eerder begon toen een anonieme vagantendichter, onder het pseudoniem Archipoeta, omstreeks 1163 zijn “Confessio” neerpende. Dit lied, dat nu nog gekend is en gezongen wordt door studenten, vormde samen met talloze andere twaalfde-eeuwse drink-, liefdes- en spelliederen uit eenzelfde manuscript de “Carmina Burana”.

Ook bij ons ontwikkelde zich in de latere Middeleeuwen een studentenliedschat. Een mooi bewijs daarvan is het Leuvense studentenlied “A, a, a, valete studia” waarvan Rodenbach in september 1879 onder de titel “Salvete studia” een eigen bewerking schreef en dat nog steeds een van de bekendste studentenliederen in Vlaanderen is.

Het is geen geheim dat onze Vlaamse traditionele studentikoziteit, zowel naar vorm als naar inhoud, leentjebuur speelde bij de Duitse studenten. Hetzelfde geldt voor onze Vlaamse studentenliedschat; ook zij is schatplichtig aan de Duitstalige studentenliedschat.

Volgens de Duitse studentenliedvorser Raimund Lang zou er in 1908, met het overlijden van de studentenliedcomponist Otto Lob, definitief een einde gekomen zijn aan de bloei van die Duitse studentenliedschat. Wanneer het, in de loop van de negentiende eeuw, in Duitsland bergaf begint te gaan, schieten de studenten in de Lage Landen eigenlijk pas écht wakker. In 1817 verschijnt in Nederland het lieboek “Groninger Studentenliederen” waarin het “Io vivat!” – het studentenlied bij uitstek in onze contreien – voor het eerst gepubliceerd wordt. Vijf jaar later, in 1822, verschijnt “Vademecum voor de student. Liederboek” en in 1855 verschijnt in Groningen een nieuw studentenliedboek. Nog een jaar later zal Albrecht Rodenbach geboren worden. Hij zal als scholier en student niet allen het vuur aan de lont van de Vlaamse Studentenbeweging steken, maar ook een kiem voor een Vlaamse studentenliedschat tot leven brengen.

Dat Rodenbachs studentenliederen schatplichtig zijn aan de Duitse liedschat blijkt niet alleen uit zijn vertalingen en bewerkingen van liederen van Duitse dichters als Heine, Goethe en Schiller of uit zijn originele teksten die hij dichtte op melodieën van Duitse volksliederen of Duitse componisten. Maar ook, en vooral, uit wat hij in zijn teksten over de Vlaamse Studentenbeweging en haar liedschat schrijft met betrekking tot de Duitse studenten en hun liederen die hem als voorbeeld voor ogen stonden.

DEFINIËRING VAN HET BEGRIP STUDENTENLIED

iovivat1

Wie Van Dales “Groot Woordenboek Hedendaags Nederlands” raadpleegt, vindt wel de termen ‘student’ en ‘lied’ terug, maar niet het lemma ‘studentenlied’. Nochtans verdient het ‘studentenlied’, net zoals het kunstlied, het liefdeslied, het volkslied, enzovoorts, een eigen definiëring.

Uit het onderzoek dat ik tussen 1998 en 2000 voerde voor mijn scriptie – een heuristisch onderzoek naar de liederen uit de “Studentencodex” zoals die sinds 1956 wordt uitgegeven door het Katholiek Vlaams Hoogstudentenverbond in Leuven – herinnerde ik mij een artikel van de Leuvense prof en volksliedvorser Stefaan Top waarin hij verschillende categorieën of genres binnen het begrip ‘volkslied’ bespreekt. Een van de categorieën was ‘het studentenlied’. Omdat ik het artikel niet meer kon raadplegen, nam ik contact op met Top; in de hoop dat hij mij een duidelijke definitie voor het begrip ‘studentenlied’ kon geven. Helaas kon hij mij geen eenduidige definiëring geven.

Aangezien de grenzen tussen het genre ‘studentenlied’ en andere genres van volksliederen niet altijd strikt zijn, worden er drie criteria gehanteerd om te bepalen of een bepaald lied wel of niet tot de categorie van de ‘studentenliederen’ gerekend kan of mag worden.

Die drie criteria zijn de volgende:

  1. Studentenliederen zijn liederen die door studenten geschreven werden.
  2. Studentenliederen zijn liederen die voor studenten geschreven werden.
  3. Studentenliederen zijn liederen die over studenten geschreven werden.

DE STUDENTENLIEDEREN VAN ALBRECHT RODENBACH

rodenbach01
Het lied der Vlaamsche zone

Wanneer we enkel het eerste criterium zouden hanteren dan zouden we in principe ieder lied dat ooit uit Rodenbachs pen vloeide als studentenlied mogen bestempelen.

Er zijn echter verschillende voorbeelden te geven van liederen die wel door Rodenbach als scholier of student geschreven werden, maar die niet expliciet voor studenten geschreven werden en die niet het studentenleven of de student als thema behandelen. Daarom worden ze niet tot de ‘echte’ studentenliederen van Rodenbach gerekend.

Ik ga even kort in op een aantal voorbeelden:

Het lied “Zondag” uit 1875 – dus tijdens Rodenbachs collegejaren in Roeselare – uit “Eerste gedichten” werd door hem geschreven op een “Liedeken op duitse wijze”. Het is niet helemaal duidelijk welke Duitse melodie hij bedoelde. Maar wellicht dichte hij het lied om gezongen te worden door het collegekoor.

In hetzelfde jaar dichtte Rodenbach zijn “Minnezingers meilied” waarin hij de Meikoningin of Meimaagd bezingt. Dit lied werd door zijn medestudent Wambach van een fraaie melodie voorzien.

“Het Kerelskind” heeft qua thematiek wel betrekking op de Kerelsidealen van de Blauwvoeterie, maar heeft op zich niets te maken met het bezingen van studenten of het studentenleven. Lode Mortelmans zou in 1896, 20 jaar nadat Rodenbach de tekst schreef, een melodie componeren voor dit lied. Drie jaar later verschijnt dezelfde tekst met een melodie van Arthur van Zulte in Karel Heyndrickx’ “Studentenliederboek”.

In mei 1877 schreef Rodenbach, op de achterkant van een samenvatting van de cursus in de psychologie, een eerste versie van het lied “Dichterliefde” naar het voorbeeld van de Duitse dichter Heine en op melodie van Schumann. In november 1879 zou hij een aangepaste versie van dit lied schrijven waarin de tweede strofe volledig verschilt van het origineel.

Verder schreef hij in 1878 nog een “Trouwlied” op muziek van Peter Benoit, het lied “De Zwane” – naar een gedicht van de Franse dichter Sully Prud’homme – of het lied “De kabouters”, dat op melodie van het Franstalige volksliedje “Au clair de la lune” gezongen werd, om maar een aantal voorbeelden aan te halen.

Het aandeel van liederen die Rodenbach schreef voor en over studenten, hun studentenleven en, voornamelijk, hun studentenkamp is veel groter.

Zonder er hier dieper op in te gaan, noem ik als bekendste voorbeelden de liederen van het drieluik dat de geschiedenis van de Blauwvoeterij beschrijft: “Het lied der Vlaamse zonen” (1875), “Het lied der Vlaamse zonen, gezeid de Blauwvoet” (1875) – deze versie is de bekendste en wordt ook nu nog gezongen op cantussen of clubs – en “Het lied der Blauwvoeterie” (1877). Deze drie liederen, die opgenomen werden in de bundel “Eerste gedichten”, zijn zonder twijfel de meest bestudeerde studentenliederen van Albrecht Rodenbach. De reden is voor de hand liggen: zij zijn van alle Rodenbachliederen het nauwst verbonden met ‘De Groote Stooringe’ die de vlam in de pan van de Vlaamse studentenkamp deed slaan.

De liederen uit Rodenbachs “Liederen voor de knapenschap” zijn, zoals de titel duidelijk maakt, expliciet voor studenten geschreven. De thematieken van deze 32 liederen hebben allemaal, in meerdere of mindere mate, betrekking op het studentenleven van Rodenbach en zijn studiemakkers.

Bekijken we er enkele naderbij:

“Het lied der dichters” uit 1875 was een van de twee liederen die Rodenbach, met medeweten van zijn surveillanten Jozef Axters en Theofiel Barbe, voorbereid had voor het aanstaande feest ter ere van superior Delbar. Het zou door de “Dichterschole’ – i.e. de poësisklas waarin Rodenbach op dat ogenblik zat – gezongen worden. Dit lied, dat op muziek gezet werd door muziekleraar Van Hee, schreef Rodenbach wellicht samen met medestudent Kamiel Watteuw.

Het lied “Het Vlaams studentenvolk” uit 1876 is een lofzang op de Vlaamse studenten, de Vlaamse Kerels, de Vlaamse studentenkamp en op het pionierswerk van Guido Gezelle voor de Vlaamse kamp. Het werd een jaar later, als een van vele liederen van Rodenbach, opgenomen in de liedbundel “Een Vijftig Vlaamsche Liederen” die door Delplace in Brugge werd uitgegeven.

Op melodie van Schumanns “O Sonnenschein” dichtte Rodenbach het lied “O zonneschijn”, een zonnig studententafereeltje met als ondertitel “De Kollegiestudent tot den zonneschijn”.

Het lied “In Vlaanderen” uit februari 1876 is opnieuw een lofzang op de Vlaamse kerels, op Vlaanderen en de Vlaamse taal en het begint als volgt:

Waar stroomt de klare Leievloed?
Waar bleek voorheen de heldenmoed?
Waar was men vrij toen alles boog?
In Vlaanderen

In zijn stuk “De studenten van Warschau” (1879), waarin Rodenbach de taferelen van het Klein Seminarie in Roeselare naar Warschau verplaatst, zal hij een van de Poolse studenten – die van de Russen hun taal niet mochten spreken – volgende versie laten zingen:

Waar stroomt de klare Wartavloed?
Waar bleek voorheen de heldenmoed?
In Polen, in Polen,
Ons vaderland!

“’t Liedeken van de gevallen bomen” (dat volgens indicatie bij de tekst “op volkswijze” gezongen werd) en “Het klokkelijn” beschrijven twee gebeurtenissen op het college; namelijk: het omwaaien van een aantal bomen door een storm en het aanbrengen van een nieuwe klok die de studenten onmiddellijk ‘Klokke Roeland’ doopten.

Met betrekking tot ‘de knapenschap’ dichtte Rodenbach onder andere de liederen “De knape” (waarin hij beschrijft aan welke eigenschappen een scholier moet voldoen om een goed ‘knape’ te zijn) en “Het lied der knapenschap” (dat hij dichtte op de plechtstatige melodie van “God save the queen”).

Een steeds terugkerend thema in de werken van Rodenbach, en dus vanzelfsprekend ook in zijn studentenliederen, is de Kerelsthematiek. Verschillende liederen uit “Liederen voor de knapenschap” raken deze thematiek aan: “Al zingend ’t vrije lied”, “Doedele bommele”, “Krik krak, tjou-la-la”, “De Franse ratten”, “Minnedrank” en “Het lied van den Skald” uit Rodenbachs “Ondergang der kerels”. Een aantal van die liederen komen in huidige studentenliedboeken nog voor.

9063
Klokke Roeland

Een ander zeer bekend lied uit deze bundel, maar zonder ‘studentikoze’ thematiek is “Klokke Roeland”. De inspiratie voor dit lied haalde Rodenbach misschien uit een tafereel dat zich afspeelde in het begin van april 1877, namelijk het volgende: Op initiatief van Amaat Joos, Pol De Mont, Zeger Maelfait en Albrecht Rodenbach zou er tijdens de paasvakantie in Gent een studentenlanddag georganiseerd worden. Na die landdag werd er een broederlijk feestmaal gehouden. Terwijl Pol De Mont, na dat feestmaal, een van zijn gedichten wilde voordragen, begon de beiaard van het Gentse belfort luid te spelen. Daarop zou De Mont hebben uitgeroepen:

Luistert! Roeland klept en zijne trage noten verkonden ‘als ik kleppe dan is ’t brand, als ik luide, dan is ’t victorie in Vlaanderland!

De gelijkenis met Rodenbachs “Ik ben Roeland, ‘k kleppe brand en luide triomf in Vlaanderland” is opvallend.

Van zuiver studentikoze aard is “Gildelied” dat Rodenbach ter ere van de drieëndertigste verjaardag van de Roeselaarse lettergilde ‘De Vriendschap’ dichtte op melodie van het, toen ongetwijfeld algemeen gekende, lied “Voor Vlaanderens gouden kusten”.

In dezelfde zuiver studentikoze categorie zijn te noemen:

  • “Waar kunnen wij toch beter zijn” (“een Gildelied op bekende wijze”).
  • “Salvete studia” (Rodenbachs interpretatie van het Middeleeuwse, Leuvense studentenlied “A, a, a, valete studia”).
  • zijn “Nachtelike tocht te lande” en “Drinkerslied” (waaruit blijkt dat Rodenbach, zijn brave en stijve image ten spijt, ook wel eens in een café kwam en aan het rollen ging).
  • “Studentenserenade”.
  • “Ons Leuven is een wonderlijke stad” (dat in de recentste editie uit de ‘Studentencodex’ verdwenen is en plaats moest ruimen voor een ander en recenter studentenloflied op Lueven; nl. “Leuvens schoonheid”).

Andere liederen in deze bundel waren:

  • Een “Toast” op een Franse melodie.
  • “Het liedeken van den roere” uit “De Studenten van Warschau”.
  • “Het land van Utopeia” uit het zangspel “Arnold”.
  • “Mijn vader was een koning der zee” (op wijze van “Te lande en ter zee” van Brands Buys).
  • Rodenbachs “Psalm”
  • “De Minnebode”; Rodenbachs bewerking van het oud-Nederlandse “Daar zat een sneeuwwit vogeltje”.
  • “De Nieuwe Vlaamse Leeuw”.
  • “De Zanger” en “Tocht”; beide op Franse melodie.
  • “Brabançonne” (waarin de leuze “’t Zal Wel Gaan” een aantal keren voorkomt; wellicht een verwijzing naar de vrijzinnige studentenvereniging met de gelijknamige naam uit Gent?)

Daarnaast zijn er tal van andere liederen en studentenliederen van Rodenbach die in tijdschriften gepubliceerd werden of die teruggevonden werden in zijn nagelaten notities. Helaas kunnen die hier nog niet aan bod komen. Toch staan we nog even stil bij een bijzonder studentenlied van Rodenbach. Want hoewel Rodenbach de Vlaamse dichter van de Vlaamse studentenkamp was, dichtte hij het Franstalige studentenlied “Le chant des fils de Flandre” – een Franse bewerking van zijn “Lied der Vlaamse zonen”. Over dit lied schrijft zijn broer Ferdinand:

Ter welke gelegenheid of om welke reden Albrecht zijn “Blauwvoet” ook in het fransch dichtte is ons onbekend. Doch er ligt mij in de gedachte dat er eens eene “Anthologie” verschenen is, bestaande uit fransche vertalingen van werken onzer vlaamsche dichters, en mogelijks voor dat zou hij den Blauwvoet in ’t fransch hebben gedicht.

Een beetje verder vinden we het volgende:

Men zou kunnen denken dat Albrecht zijn “Blauwvoet” in ’t fransch dichtte ter opname in “La semaine des étudiants”, een studentenblad van Leuven, waar ook van hem “La dernière scéne d’Irold” in ’t fransch verscheen […] doch “La semaine” ontstond pas in 1879 en “Le chant des fils de Flandre” was reeds in 1877 gedicht.

 

RODENBACH: DE ZANGER VAN DE STUDENTENKAMP

In een lezing voor het Algemeen Katholiek Vlaamsch Studentenverbond waarin hij Albrecht Rodenbach herdacht zegt Van Puyvelde:

Hij begon met zijn “Blauwvoet, het lied der Vlaamsche zonen” te zingen en werd en bleef de zanger van het jonge volk van Vlaanderen. In een adam had hij een menigte strijdliederen gedicht, die nog altijd, met een wonderbare kracht, de jongen van Vlaanderen tot den moed en de geestdrift opwekken om zichzelf te vormen, naar eigen aard en eigen taal, tot nuttige mannen van het volk.

Dat Rodenbach met zijn “Blauwvoet” de zanger van de Vlaamse studentenkamp werd, is – in oorsprong – eerder te danken aan een toevallige samenloop van omstandigheden dan aan een doelbewuste intentie van Rodenbach zelf.

delbar
Superior H. Delbar

De eerste versie van “Het lied der Vlaamse zonen” was niét als strijdlied bedoeld. Het was een lofzang op superior Delbar van het Klein Seminarie omdat hij eerder dat schooljaar de Vlaamse dichter De Koninck, als Waal, in het Vlaams had toegesproken. Het zou samen met “Het lied der dichters”, gezongen worden door de studenten tijdens het jaarlijkse feest ter ere van de superior. Op 24 juli 1875 echter komt surveillant Barbe, namens de superior, aan de studenten vertellen dat één van de twee Vlaamse liederen vervangen zou moeten worden door een Frans lied en dat Rodenbach zijn eerste versie van “Het lied der Vlaamse zonen” zou moeten wijzigen; ook al was het een dank- en lofrede op de superior. Deze domper op de feestvreugde zorgde er, samen met talloze andere kleinere en grotere incidenten tussen de studenten en de superior, voor dat de frustraties die leefden onder de Vlaamse scholieren op het Klein Seminarie zich zouden uiten in wat ‘De Groote Stooringe’ genoemd zou worden. Een dag later, op 25 juli 1875, beraadslagen 19 van de 26 leerlingen uit de poësisklas onder leiding van Rodenbach over wat ze zullen doen: 16 van hen stemmen tegen het zingen van om het even welk Frans lied.

Op 27 juli, de dag van het superiorfeest, houdt Rodenbach een rede ter ere van Delbar waarin elke zinspeling op de gespannen toestand in het Klein Seminarie of het Vlaams verzet verwijderd was. Ondertussen had Rodenbach een tweede en veel strijdkrachtiger versie van zijn “Lied der Vlaamse zonen” geschreven. Die tweede versie werd, ondanks alle inspanningen van de surveillanten om de circulerende kopietjes van de tekst te onderscheppen of te vernietigen, op de tweede dag van de feesten, samen met “De Vlaamse Leeuw” door de studenten gezongen tijdens de namiddagactiviteiten. Tijdens het souper, waarbij leraren en leerlingen samen aan tafel zaten, vroeg de superior een van zijn leraren om het Franse liedje “Les Curassiers” aan te heffen. De studeten vielen wel in, zoals van hen verwacht werd en ondanks de stemming om niets in het Frans te zigen, maar pasten de tekst aan om hun ongenoegen te uiten. Superior Delbar merkte dat op en schorste het feest, daarop weerklonk de strijdkreet “Vliegt de Blauwvoet? – Storm op zee!”

Het is vanaf deze ‘Groote Stooringhe’ dat Rodenbach studentenliederen gaat schrijven met een bijbedoeling en het is pas vanaf dan dat de leuze “Vliegt de Blauwvoet? Storm op zee!”, die al eerder, maar zonder revolutionaire bijklank, gekend was uit het werk “De kerels van Vlaanderen” van Conscience ook een echte strijdkreet werd. Zoals Van Puyvelde het al meldde:

Die studentenliederen dat was de opwekking tot den strijd […] Op ’t gemoed der jeugd moest dus in de eerste plaats indruk gemaakt worden […] En hoe kon Rodenbach dat beter doen dan door over de studentenhoofden liederen te laten galmen?

De werken van Rodenbach en ook heel veel van zijn vroege studentenliederen zijn doorspekt met de Kerelsthematiek die zij kenden uit Consciences werk. Ferdinand Rodenbach schrijft:

De waarheid over hunne (en hij bedoelt dan “de Kerels” [AW]) geschiedenis diende dus gekend te zijn, en daarop legde Albrecht zich toe, bracht nota’s op nota’s bijeen en bezat algauw een hele verzameling oorkonden waarop hij steunen  en werken mocht. Rodenbach schreef ook het werk “De Kerels” en verscheidene Kerelsliederen waardoor de studentenkamp zich vrij snel uitbreidde onder de naam “Blauwvoeterij” en de Vlaamse studenten “verkereld” werden.

Rodenbachs liederen waren als het ware propagandaliederen voor de idealen van de Blauwvoeterie en voor de idealen van de Vlaamse studentenkamp. Ze moesten zijn medestudenten werven voor zijn strijd. Daarom dat hij ook in zijn plannen voor de inrichting van de Studentenbond telkens weer hamert op het belang van studentenliedjes en liedbundels voor de studenten- en spelersgilden. En daarom ook dat hij op talloze vergaderingen van de Studentenbond blijft herhalen dat alle middelen – waaronder hij steevast spelen en liedjes vernoemt –  ingezet moeten worden.

Maar Rodenbach wilde niet enkel de studenten winnen voor de Vlaamse kamp. Ook het gewone volk wilde hij achter zich krijgen. in “Kroniek van Albrecht Rodenbach” lezen we op 25 januari 1877 – Rodenbach studeert dan al in Leuven – het volgende:

Zang en toneel werden door Rodenbach beschouwd als belangrijke middelen die de studenten ter beschikking stonden om de Vlaamse bewustwording bij het volk te stimuleren.

En uit zijn nagelaten notities weten we dat hij voor de propaganda door middel van het Vlaamse lied, ook buiten de studentenwereld, overwogen heeft om “liedekens voor het volk” – meestal aanpassingen van bestaande liedjes of nieuwe teksten op bekende melodieën – te laten verspreiden door marktzangers.

het belang van een eigen studentenliedschat kende Rodenbach vanuit het Duitse studentenleven. In een artikel in de “Vlaamse Vlagge”, dat Rodenbach ondertekende met het pseudoniem François Quillon – een duidelijke en spottende zinspeling op de term ‘franskiljon’ – blijkt duidelijk naar het voorbeeld van welke voorgangers Rodenbach de werfkracht van het lied in een volksstrijd heeft leren schatten. Hij schrijft, met toch enige vorm van kritiek voor zijn voorbeelden, het volgende:

Beziet de Duitsche studenten!

Deze zijn iets, hebben hun eigen leven, niet altijd in den rechten regel, neen, maar eigen, en zoo eigen, dat zij een type geworden zijn. En onder andere hebben zij hunnen liedjes, waar heel hun leven in leeft, hunnen helen cyclus liedjes, van aan de middeleeuwse sage tot aan het dansend en springend drinkliedje, van aan “Es war ein König in Thule” tot aan het “Urbummellied”. Nu, die liedjes en zijn juist altijd niet puik. daar zijn er prachtige, daar zijn er die ik noch gij en zoude willen zingen. Zij zijn Duitsers, Duitse studenten, en hun liedje drukt hun wezen en leven uit. Wij zijn Vlaamse jongens, Vlaamse studenten: wij moeten onze liedjes hebben, drukkende ons wezen en ons leven uit.

In deze tekst benadrukte hij op heel duidelijke wijze tegelijkertijd de Germaanse verwantschap én de Vlaamse eigenheid van wat hij voor ogen had.

 

RODENBACH & STUDENTENLIEDBOEKEN

b3-5g
Rodenbach (3e van links in de eerste rij staanden) & klasgenoten, links van Rodebach: Hugo Verriest, hun leraar.

Albrecht Rodenbach schreef niet enkel liederen, maar ijverde – zoals uit veel van zijn teksten en nagelaten notities blijkt – ook hevig voor het verzamelen, bundelen en verspreiden van liederen voor de studenten en het gewone volk. Hij ondernam hiertoe niet alleen zelf initiatieven, maar ondersteunde en promootte zoveel mogelijk het werk van anderen hierin.

In het boek “Brieven van Albrecht Rodenbach” komt welgeteld één zinnetje voor dat betrekking heeft op studentenliederen. In een brief uit november 1876 schrijft hij vanuit Leuven aan Ramond Veralleman, de oprichter van de Clauwaertsgilde in Roeselare, het volgende:

Liedjes gaan wij ook trachten te versamelen, al ten dienste van de Vlaamse studentengilden, waaronder de uwe van eigent rekent.

Hij belooft Veralleman, en ook aan anderen, hem stukken toe te sturen en hij kondigt ook de verschijning aan van “Liedjes ten dienste van de Vlaamsche studentengilden”. In een artikel met als titel “Of er leven zit in het studentenvolk”, dat hij in de “Vlaamsche Vlagge” publiceerde, promoot hij de liederenbundel die Joos uitgeeft met muziek erbij. Over die liederen schrijft hij in zijn artikel:

Deze zijn échte studentenliedjes. In die liedjes leeft de Vlaamsche studentenwereld; dat deel bijzonderlijk dat in de Vlagge verhandeld wordt, de studentenkamp. De studentenkamp met zijn blij- en droefheden, hope en wanhope, bewondering en vloek, minne en veete, blik in ’t verleden, blik in de toekomst, roep tot Broeders, roep tot den Bonde, de studentenkamp met zijne overal doorklinkende leuze: “Voor Gode en tale en vaderland”. Verschillende dier liedjes zijn ten innigsten mogelijk met het begin des studentenkamps verbonden. Het zijn de liedjes die men in Westvlaanderen binst de verloven te lande somtijds van ene uure verre hoort wanneer […] een vrolijke bende studentenvolk al zingend langs de bane opkomt, de vlaamsche velden verheugt, en de boeren op het land zeggen doet: dat zijn algelijk kerels, die studenten!

Bij aanvang van het jaar 1877 komt de ‘Sint-Tillogilde’ – die de zittingen van het Leuvense letterkundige genootschap ‘Met Tijd & Vlijt’ opfleurde met zang en muziek – een aantal keren samen in vergadering om een plan uit te werken om een liedbundel voor de gilden samen te stellen en te verspreiden. Op 1 februari 1877 vindt de vergadering van de ‘Sint-Tillogilde’ per uitzondering plaats op de kamer van Rodolf Huyghebaert omdat hij een verzoek ontvangen had vanuit de normaalschool van Torhout. Uit het verslag van die vergadering:

Huyghebaert stelt vooren Vlaamsche liedjes te zenden naar de normaalschole van Thorhout, waar men er gevraagd heeft. Ter uitvoering des voorstels stelt Rodenbach vooren eene soorte van uitgave der liedjes te schrijven die men naar Thorhout zou zenden, vragende dat men ze daar rechtuit zou uitschrijven en wederzenden, ten einde zij nog kunnen dienen om elders gezongen te worden, onder andere naar het kollegie van Rouselare en naar de Rouselaarsche Klauwaardsgilde, die er gevraagd hebben.

Twee weken later, op 15 februari 1877, komt de vergadering weer bijeen en worden enkele praktische afspraken gemaakt over de samenstelling van de liedbundel voor de Vlaamse gilden.

Een maand later, op 15 maart 1877, is de liedjesbundel voor de Vlaamse studentengilden nog steeds niet samengesteld. Opnieuw worden hierover goede voornemens gemaakt volgens het verslag:

Roets en Vercruysse nemen het op hen de strofen uit te schrijven der liedjes voor de Normaalschool van Thorhout bestemd. Huyghebaeret gelast hem ze den Normalisten te doen geworden. De liedjes zullen deze mogen houden tot dat de gilde hen verwittigt ze elders te zenden.

Daarnaast zal Alfons Vanden Bulcke het op zich nemen om inschrijvingen te ronselen voor een liederenbundel die August Ghequiere, retoricaleerling aan het Klein Seminarie, zou uitgeven en die ook teksten van Rodenbach bevatte. Deze vergadering was echter de laatste van de ‘Sint-Tillogilde’; de bundel kwam er niet.

De bundel van Ghequiere waarvan sprake had als titel “Vijftig Studentenliederen” waarin “Het lied der Vlaamse zonen” (eerste versie), “Het Klokkelijn”, “In Vlaanderen”, “Al zingen ’t vrije lied”, “Psalm”, “Nacht”, “De Kabouters”, “Het weesmeisje”, “De Franse ratten”, “Het lied der Knapenschap”, “Minnedrank”, “Klokke Roeland”, “Roosken op der heide” (naar Goethe) en “Het Vlaamsch studentenvolk” van Rodenbach werden opgenomen. De bundel verscheen pas in augustus 1877, hoewel Ghequiere deze bundel al eerder wilde publiceren. Dat had te maken met het feit dat de superior van het Klein-Seminarie en de Brugse bisschop ordonneerden dat het de leerlingen verboden was liederen uit te geven omdat “zij zich volledig op hun studie moesten concentreren”. Een drogreden, die een jaar later opnieuw officieel herhaald werd door de bisschop, die de uiteindelijke publicatie, nadat Ghequiere het Klein-Seminari in augustus verlaten had, niet kon voorkomen.

Doordat deze bundel zoveel liederen van  Rodenbach telde, werd het wel eens foutieg aan hemzelf toegeschreven. “Deze bewering is mis” merkt zijn broer Ferdinand op in “Rodenbach en de Blauwvoeterie”, maar hij voegt er onmiddellijk aan toe dat Albrecht “eene uitgave van een honderdtal liederen, onder titel ‘Liederen voor de Knapenschap'” – waarvan er verscheidene verschenen in La Semaine en, na zijn dood, in de Vlaamse Vlagge” – voorbereidde.

 

+ + +

Deze tekst verscheen in het boek Omtrent Albrecht Rodenbach. Historisch-literaire schetsen en essays (Roeselare; vzw Albrecht Rodenbach; 2006; 216 p.)

Advertenties