een renner is een dichter, frank

70409187_2427042500724576_6372525019540488192_nhet is vandaag, dag op dag, 10 jaar geleden dat de belgische wielrenner frank vandenbroucke in senegal overleed aan de gevolgen van een longembolie.
het is vandaag, bijna dag op dag, 1 jaar geleden dat vandenbrouckes biograaf mij mailde met volgend bericht:

“…om dat te gedenken zou ik graag als eerbetoon een huldeboek maken waarbij kunstenaars een portret van frank vandenbroucke maken met daarbij een heel kort woordje uitleg. misschien ook gekoppeld aan een tijdelijke tentoonstelling op een plek die veelbetekenend voor hem geweest is. met daarnaast telkens een tekst van een gerenommeerde auteur, wiens werk ik ten zeerste apprecieer en bewonder”

stroop aan mijn baard, ik ben daar best gevoelig voor.
maar er moet aangestipt dat de man in kwestie wel degelijk een exemplaar van de bibliofiele, op 20 exemplaren in lood gedrukte uitgave van “man van weinig woorden” in huis had en zich dus terecht een fan mocht noemen.

zijn email eindige met deze woorden:

“ik weet niet in hoeverre u destijds iets had met de renner en/of mens vdb of dat misschien nog steeds hebt, maar ziet u het eventueel zitten om ook een tekstuele bijdrage te leveren?”

ik antwoordde in alle eerlijkheid:

“ik was/ben geen uitgesproken wielerliefhebber. ik volg(de) slechts de klassiekers – uitgelezen momenten voor een tamme namiddag op de bank en een power nap bij het geneuzel van de commentatoren. de rondes & andere wedstrijden gaan aan mij voorbij. maar in de veronderstelling dat dat geen conditio sine qua non is, wil ik graag een gedicht bijdragen aan het boek. bij voorkeur over een jaar in vdb’s leven waarin 1 of meerdere gebeurtenissen met een zeker poëtisch potentieel plaatsvonden – suggesties in die richting zijn uiteraard welkom.”

ik ging, op aanraden van vdb-biograaf stijn vanderhaeghe, aan de slag met het jaar 1999. het jaar waarin vdb, onder andere, op legendarische wijze luik-bastenaken-luik wint, met rood, wit of blauw haar aan de start van wedstrijden verschijnt, voor het eerst naar het slaapmiddel ‘stinoct’ grijpt en zo de kiemen voor zijn latere verslaving aan verdovende middelen zaait, zijn vrouw en pasgeboren dochter achterlaat – op de vlucht voor de (te hoge) druk die op zijn psychisch fragiele schouders rust – zich vervolgens, tijdens de vuelta, smoorverliefd in de armen van een italiaanse schone gooit, opgepakt wordt in een dopingzaak (maar later onschuldig bevonden zal worden), het wereldkampioenschap – na een zwarte valpartij – niet wint, maar wel met gebroken polsen uitrijdt, enzovoorts en zo verder.

het eindresultaat was niet een gedicht, maar een cyclus van acht gedichten met als titel “een renner is een dichter, frank”

die cyclus kreeg volgend motto – uit de vdb-biografie / over het jaar 1999 – mee:

van verafgood naar verkettert
twee keer ‘ver’
maar toch de kortste etappe die hij ooit gereden heeft
de enige rit die door niemand wil gewonnen worden

+

een renner is een dichter, frank

van de gaten die vallen in de taal van het grote verzet
met nog zes versregels voor de boeg kromt ge van ellende
uw rug over het stuurloze woord dat de schrijver op uw fiets schroefde
met een zweem van traagheid

trekt ge smalle zinnen door de plassen
op het asfalt tussen start en finish schrijft ge
heroïek en tragiek in langgerekte verzen
uit de mond van michel wuyts.

++

ge wilde rust, rust, rust

in uw benen. ge wilde rust in uw allemanslijf
ge wilde weg van dat niemandshuis in aanbouw
van de onrust in uw felgekleurde kop
die slepende maanziekte. ge vluchtte

langs verre vreemde straten – nergens zoemt het asfalt
zo mooi als tussen hagen van applaus –
tot ge weer helemaal onbekend geworden waart
voor uzelf een schim van vlees en bloed.

+++

voor het eerst in uw leven

moest ge zelf uw koffers pakken: kousen, onderbroeken
het masker om uw verlegenheid achter te verstoppen
extra porties zelfvertrouwen in tupperwarepotjes
die uw moeder had klaargemaakt – goed eten

jongen kleedt u warm genoeg –
een extra dikke trui. niet tegen de kou
omdat uw olifantenvel al versleten was. ge moest
voor het eerst in uw leven weg, weg, weg.

++++

ge gingt niet naar de vuelta

om te winnen. ge wilde gewoon met de bus de bergen in
ge wilde met de bus de bergen uitrijden. dat was uw plan
want ge hadt geen zin om naar huis te gaan nog minder
waar uw lief met uw kind. ge gingt niet naar de vuelta

om een vrouw te leren kennen. ge gingt om er een te vergeten
in een lange solovlucht. toen ge over de meet reedt, keekt ge opzij
toevallig in haar richting en ge zaagt een engel aan de kant van de weg
uw leven binnenstappen. ge keekt. zaagt. en stoemelings verliefd.

+++++

ge pakte dertien seconden

in nauwelijks achthonderd meter, ge pakte uit
voor uw nief lief dat ge de nacht ervoor het hof en de kop zot gemaakt hadt
wij hadden de nieuwe wereldkampioen al gezien –
hij pakte dertien seconden, wat slaap

op de achterbank tijdens de rit terug van haar hotel
de ruiker mee voor haar en stilnoct en god
wie weet wat nog allemaal – ge pakte de zege in de rit
naar uw verval. het was absurd hoe makkelijk ge wont.

++++++

ze zeggen dat ge karakter miste

dat ge wel geniaal, maar zo fragiel, mentaal
instabiel. dat klasse zonder karakter talent is dat vervliegt
met de wind. dat ge een man van extremen, hieldt van sensatie
en een gigantisch gebrek aan zelfdiscipline hadt

ze zeggen dat en nog veel meer. maar ge koerste op roze wolken
de ene week, op woede en rancune de andere
en met gebroken polsen wanneer dat moest. alleen wie dat vergeet
durft zeggen dat ge nooit op karakter reedt.

+++++++

waarom zoudt ge tachtig willen worden

ook na de dood is het koud
zonder kleren aan; dat wist ge toen nog niet
maar hij past bij elke kleur van haar
draagt ge de littekens op uw hart als oorlogsmedailles

speldt ge ze op terwijl ge voor de spiegel staat
waarin ge uzelf niet meer herkent. waarom zoudt ge
tachtig willen worden als de rit bij de start de strijd te vroeg gestreden
en de held weer gewoon een man. op een fiets.

++++++++

de dichter is een renner, frank

die kromgebogen over zijn klavier het dal van uw wezen indook
met doodsverachting zich door de haarspeldbochten slingerde
van gedachten die alleen gij als uw broekzak kende. die dansend op de trappers
van vergelijking – vers, verzen, gedicht – zichzelf bleef verrassen

met plots versnellende zinnen. achter iedere punt schreef hij
het gat dicht dat viel tussen de woorden
en hun betekenis toen ge op uw adem trapte. en parkeerde
voorgoed.